woensdag 27 april 2011

Een boekrecensie: Magnus van Arjen Lubach

Met boekrecensies is het net als met het koken van pasta. Je moet zodra je het hebt afgegoten en samen met een eetlepel olijfolie terug in de pan hebt gemikt ongeveer vijf minuten wachten voor je het opdient. (Ik meen dat ik J. Oliver ooit zoiets heb horen zeggen.) Maar dan nu de vergelijking... Vorige week donderdag sloeg ik Magnus van Arjen Lubach dicht. Hij liet me achter met een hoofd vol emoties en ideeën. Maar omdat ik nu een weekje heb gewacht en wat olijfolie tussen het warrige verhaal heb gegoten, wordt het vast een logische recensie.





Ik begon het boek midden in een tragische situatie. Merlijn, de hoofdpersoon, zit zonder het te beseffen al maandenlang opgesloten in zijn trage bestaan op een krukje in de keuken. Hij wacht daar tot zijn weggelopen liefde Caro weer iets van zich laat horen. Na een avond stappen en een vechtpartijtje met de nieuwe minnaar van Caro wordt Merlijn gebeld door een creditcard beveiligingsbedrijf. Hij zou vreemde hoge bedragen hebben uitgegeven in een pretpark in Zweden. Of dat klopte. 'Nee' bedacht Merlijn. Maar tegen de man aan te telefoon zegt hij: 'Ja, dat was ik.' Vervolgens boekt hij een vliegticket naar Zweden en gaat op zoek naar de dief van zijn geld.

Arjen Lubach zit meestal vol onverwachte en verwarrende wendingen, vreemde gedachten en onwaarschijnlijke uitspraken. In zijn vorige boeken, 'Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend' en 'Bastaardsuiker' was de draad van het verhaal soms ook al behoorlijk kwijt. In dit boek echter stelt Lubach naast alle onverwachte wendingen ook nog een volstrekt raadselachtige hoofdpersoon op. De handelingen van Merlijn zijn gebaseerd op flinterdunne motivaties. Bijvoorbeeld de rare beslissing om naar Zweden te vliegen. Enigszins logisch als je bedenkt dat hij er geen sociaal leven of vaste baan op nahoud. Maar waarom zou je? Zijn gedachten stelden me regelmatig voor raadsels. Een complexe persoonlijkheid, met een enigszins teleurgesteld wereldbeeld, die ook nog eens aan raadselachtige epilepsie lijdt waardoor hij zo af en toe stukjes uit zijn leven mist. Hiermee creëerde Arjen Lubach een afstand tussen mij en Merlijn; ik kon me niet meer inleven.

Als ik mij niet meer in kan leven in een hoofdpersoon, zit ik niet meer in het verhaal. De gebeurtenissen vanuit het perspectief van Merlijn, hoe verrassend of schokkend ook, deden me niet zo veel. Vooral in 'Akte 1' sloeg ik de pagina's traag om, en moest ik mezelf dwingen door te lezen. Maar! 'Magnus' is geen slecht boek. Sterker nog, toen ik de afstand en het onbegrip ten aanzien van de hoofdpersoon had geaccepteerd, ongeveer bij het begin van 'Akte 2' begonnen de - nog steeds verrassende - gebeurtenissen elkaar in sneller tempo op te volgen. De steeds vaker voorkomende dialogen, in de hotelbar, met de dief van zijn geld, met de dochter van de dief, houden de snelheid van het boek hoog. Soms kan Lubach het niet laten om een bladzijde te verzinken in moeizame gedachten van de hoofdpersoon, maar eerlijk gezegd is de actuele verhaallijn in het boek te spannend en verrassend om hier als lezer lang bij stil te staan. De ontknoping, waar alle zijsporen weer een verhaal worden, las ik in een keer uit. Vooral de tijdelijke afwezigheid van het gepeins van Merlijn brengt snelheid in het verhaal.

Kortom: (Voor als je de uitgebreide argumenten liever overslaat en snel wil weten wat ik van het boek vond.)
Een verrassend boek met een spannende ontknoping, ondanks dat je als lezer het idee hebt dat je klem zit tussen de twee eindeloos reflecterende en peinzende hersenhelften van de hoofdpersoon. (En helaas eindig je ook tussen de hersenhelften van Merlijn.)

Wat ik wel erg heb gemist: bij de vorige boeken van Arjen Lubach moest ik regelmatig hardop lachen. Bij het lezen van 'Magnus' was een glimlach het hoogtepunt. Maar dat scheelt wel rare blikken in de trein...

maandag 25 april 2011

Een zeer korte geschiedenis van de huzarensalade

Zowel de eerste en tweede paasdag vond het volgende gesprekje plaats:'Wat is dat voor een salade?' (Dat vroeg ik. Mijn gehele familie bevond zich rond een haperend gourmetstel)
'Een huzarensalade,' werd er geantwoord.
Ik was eventjes stil en trok een nadenkend gezicht:
'Wat is een huzaar?'
'Het is een huzarensalade.'
'Ja.. maar.. wat is een huzaar?'

Er werd even nagedacht en er werden verschillende ideeen geopperd.
Misschien was het een soort vergeten groente uit de oudheid?
Misschien heette de man die deze salade ontwierp wel Henk Huzaar?
Was dat niet een volk|?
Misschien betekende het frisjes in het Roemeens?

Dan nu.. op veler verzoek.. *tromgeroffel*

Een zeer korte geschiedenis van de huzarensalade.

Lang, heel lang geleden werkten in het leger van Hongarije een groepering die zich de huzaren noemde. Het begrip huzaar is van oorsprong Servisch en werd het eerst door Hongarije gebruikt. Later werd de term door andere Europese landen geïmiteerd. De huzaren waren van oorsprong Hongaarse ruiters, die in de Keizerlijke Oostenrijkse legers ten strijde trokken tegen de Turken. De huzaren waren bontgeklede ruiters die beschikten over een grote ruiterkunst. De huzaren werden zo berucht en vermaard dat ook in andere legers huzareneenheden werden opgericht. Huzaren werden vooral ingezet om vijandelijk gebied te verkennen.

 Dit is een Huzaar.

De huzaren ontdekten al snel dat het niet handig was om midden tussen de vijandelijke troepen een vuurtje te stoken om even de goulash op te warmen. Hun vrouwen gaven de huzaren daarom van tevoren bereid voedsel mee. Door de etenswaren allemaal door elkaar te mengen ontstond een koude salade die al snel de 'huzarensalade' werd genoemd.

Als je de volgende keer dus weer met een bordje vol op een plastic tuinstoel naar de schutting loopt te staren, bedenk dan dat je eigenlijk een avonturier bent. .
Want terwijl de huzaren in het heetst van de strijd wat Turkse troepen aan hun zwaard probeerden te rijgen klotste de huzarensalade op hun rug moedig mee. De huzarensalade lijkt misschien wat cliché, maar in werkelijkheid is het waarschijnlijk een van werelds dapperste gerechten.

Einde.

woensdag 20 april 2011

Waarom ik niets schrijf


Ik weet het niet. Ik kan überhaupt niets meer schrijven waar ik achteraf tevreden over ben. Zelfs deze zin blijft hier alleen maar staan omdat ik mezelf er tien seconden van heb zitten weerhouden de deleteknop aan te raken. Het frustreert me dat zelfs het schrijven van gedichten – de enige schrijfactiviteit waar ik min of meer in slaagde – niet meer lukt. Het schrijven van boeken heb ik een paar jaar geleden opgegeven toen het zoveelste verhaal na drie bladzijden totaal oninteressant begon te worden. Het schrijven en bijhouden van een weblog heb ik langer volgehouden, maar ook gestaakt toen ik merkte dat ik in herhaling viel. Het belangrijkste ingrediënt van deze korte verhaaltjes was humor, maar niets van wat ik schrijf kan nog als grappig worden opgevat. Ik kan er in elk geval zelf niet meer om lachen, dus zit ik achter mijn worddocument om te komen van zelfmedelijden. De term ‘writersblock’ – vaak toegepast zodra een willekeurige auteur ontdekt dat hij of zij even niks kan bedenken – mag officieel alleen gebruikt worden als het gaat om een ‘flinke tijdsspanne van niet kunnen schrijven’ aldus de zéér betrouwbare bron Wikipedia. Ik neem de vrijheid mezelf te diagnosticeren aan de hand van een Wikipediapagina en kom tot de conclusie dat ik echt een writersblock heb. Toch goed om te weten.

Omdat ik toch wel graag wil weten waarom ik lijdt aan deze ‘aandoening’ heb ik de Engelstalige Wikipediapagina geraadpleegd. Mijn vermoeden – dat deze pagina mij zou gaan vertellen hoe je aan een dergelijk block komt – werd bevestigd. Een writersblock, aldus deze pagina, kan verschillende oorzaken hebben. Een aantal oorzaken omvatten ‘creatieve problemen die te maken hebben met het werk van een auteur.’ (?!) De schrijver is door z’n inspiratie heen, heeft het idee dat hij iets moet doen dat nog nooit iemand heeft gedaan, zit op het verkeerde spoor, of wil iets doen dat buiten zijn of haar mogelijkheden ligt. Maar er zijn ook nog psychische afwijkingen mogelijk, depressies, stress, et cetera.

Geheel in stijl met dit stukje tekst, ga ik nog even door met het diagnosticeren van mezelf. Ik denk dat ik in de eerste categorie oorzaken val. Ik wil iets wat ik niet kan, ik ben ontevreden over mijn werk en wil baanbrekende teksten schrijven. Daarbij komt nog dat ik mijn hoogtepunt reeds heb bereikt. Ik heb anderhalf jaar geleden een gedicht geschreven waar ik nog steeds min of meer tevreden over ben. En dat is een record. Daarbij moet wel worden vermeld dat ik het vijf keer moet herlezen en vervolgens een kwartier moet nadenken voor ik me precies herinner wat ik ermee bedoel. En er zijn dingen die ik alsnog weer zou willen wijzigen… Maar ach, dit is het, en zo blijft het. Ik vind het sfeertje is wel leuk.

  
Sop

De tegels die sneller langsfietsen
door de nauwe straat, die afbuigt
als ik omkijk, – naar de paars bewolkte
lucht van zeep op de stoep en terpentine –

met de decadentie van een radiostation
dat elke plaat inslikt en omkaderd
uitspuugt in het komen en gaan van
treinen en hun huiverende passagiers.

De nauwe straat buigt af en aan
de winkelruiten – waarachter ingeblikte
filosofen vanuit de schappen staren –
kleeft de weerspiegeling van onverlaten

die met klapperend geweten liepen
zoals ik door sop dat slikt en deinst
over Sodom stroomt – dit maal verdrinkt
de stad waarin de aarde woont.









Einde van deze... weblog...